Nieuws

2026/05/26

Bescherm uw gezinswoning tegen professionele schuldeisers

Wanneer u als zelfstandige actief bent, bestaat er geen strikt onderscheid tussen uw beroepsvermogen en uw privévermogen. Dit betekent dat schuldeisers zich in bepaalde situaties ook kunnen richten tot uw persoonlijke bezittingen, waaronder uw gezinswoning. Denk hierbij aan gevallen van financiële moeilijkheden, schadeclaims of een faillissement. Gelukkig bestaat er een wettelijke mogelijkheid om uw gezinswoning beter te beschermen: de verklaring van onbeslagbaarheid.

 

Wat is een verklaring van onbeslagbaarheid?

Door middel van een verklaring van onbeslagbaarheid kan een zelfstandige zijn of haar hoofdverblijfplaats beschermen tegen professionele schuldeisers. Deze verklaring wordt afgelegd bij de notaris, die de akte vervolgens laat registreren bij het Kantoor Rechtszekerheid. Vanaf dat moment is de bescherming tegenstelbaar aan derden.

Belangrijk om te weten is dat deze bescherming enkel geldt voor schulden die ontstaan na de neerlegging van de verklaring. Schulden die dateren van vóór deze verklaring blijven dus volledig uitvoerbaar op het privévermogen.

 

Welke schulden vallen onder de bescherming?

De regeling (bescherming) viseert uitsluitend zuivere beroepsschulden. Schulden van gemengde aard vallen buiten het toepassingsgebied van de verklaring van onbeslagbaarheid.

Uit recente rechtspraak blijkt dat fiscale schulden in de personenbelasting per definitie als schulden van gemengde aard worden beschouwd. Hierdoor zijn zij uitgesloten van de bescherming. Anders gezegd, de verklaring biedt geen bescherming als er beslag op de woning wordt gelegd wegens een openstaande schuld inzake personenbelasting.

Daarentegen vormen btw-schulden een typisch voorbeeld van zuivere beroepsschulden, waardoor zij wél onder de regeling kunnen vallen.

 

Wie kan hiervan gebruik maken?

Het begrip ‘zelfstandige’ is hier een ruim begrip dat slaat op alle natuurlijke personen en vrije beroepers die een beroepsactiviteit uitoefenen, zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst of een statuut.

In eerste instantie gaat het om ondernemers die geen vennootschap oprichten voor de uitoefening van hun zelfstandige activiteit en werken via eenmanszaken.

Ook ondernemers die wel een vennootschap oprichten, maar waarbij niet kan worden genoten van de beperkte aansprakelijkheid (denk bijvoorbeeld aan de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap), kunnen zo een verklaring leggen.

Ten slotte komen zelfstandigen in bijberoep of zelfstandigen die na hun pensioen nog actief zijn eveneens in aanmerking.

 

Welke woning komt in aanmerking?

Enkel de gezinswoning, zijnde de hoofdverblijfplaats, kan beschermd worden. Dit is de plaats waar u effectief woont en waar uw gezin en voornaamste belangen zich bevinden.

De bescherming geldt ook indien u niet de volle eigenaar bent, bijvoorbeeld wanneer u mede-eigenaar of vruchtgebruiker bent. In geval van huur (louter gebruiksrecht) kan er echter geen beroep gedaan worden op deze regeling.

 

Wat bij gemengd gebruik?

Indien u uw woning deels professioneel gebruikt, wordt er een onderscheid gemaakt:

  • Bij minder dan 30% beroepsmatig gebruik kan de volledige woning beschermd worden
  • Bij 30% of meer kan enkel het privédeel worden beschermd

 

Wat bij verkoop en aankoop van een nieuwe woning?

Wanneer u uw woning verkoopt en een nieuwe gezinswoning aankoopt, kan de bescherming behouden blijven, mits aan drie voorwaarden voldaan is:

  • De verkoopopbrengst wordt tijdelijk bewaard bij de notaris
  • De nieuwe woning wordt aangekocht binnen één jaar
  • In de aankoopakte wordt expliciet vermeld dat het om een wederbelegging gaat

 

Kan u afstand doen van deze bescherming?

Ja, dit is mogelijk. In de praktijk gebeurt dit vaak wanneer een bank bijkomende zekerheden vraagt bij een kredietaanvraag. Let wel: een afstand is algemeen en geldt voor alle professionele schulden.

 

Wat bij overlijden?

De bescherming is persoonlijk en vervalt bij het overlijden van de zelfstandige. Erfgenamen kunnen hier dus geen beroep meer op doen voor de toekomst.

 

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 26/05/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

2026/05/26

Flexi-jobs sterk uitgebreid vanaf 1 juli 2026

De federale regering heeft een wetsontwerp ingediend dat het systeem van flexi-jobs aanzienlijk uitbreidt en versoepelt. Indien goedgekeurd, treden de nieuwe regels in werking op 1 juli 2026.

Met deze hervorming wil de regering flexi-jobs aantrekkelijker en breder inzetbaar maken op de arbeidsmarkt. Tegelijk blijft er ruimte voor sectorale correcties via sociale overlegorganen.

 

Uitbreiding naar bijna alle sectoren

De belangrijkste wijziging is dat flexi-jobs in principe mogelijk worden in de volledige private én publieke sector. Vandaag is het systeem nog beperkt tot een aantal specifieke sectoren.

Sectoren kunnen wel nog worden uitgesloten via een zogenaamde “opt-out”, op vraag van de sociale partners. Deze uitsluiting wordt vastgelegd via een koninklijk besluit. Ook gedeeltelijke uitsluitingen (bv. bepaalde activiteiten of een percentage van het arbeidsvolume) blijven mogelijk, onder meer in de zorgsector.

 

Fiscale en sociale regeling blijft behouden

Het gunstige regime blijft grotendeels ongewijzigd:

  • geen gewone RSZ-bijdragen, maar een bijzondere werkgeversbijdrage van 28%
  • belastingvrijstelling voor flexilonen
    • onbeperkt voor gepensioneerden
    • beperkt tot ± 18.440 EUR (geïndexeerd) voor niet-gepensioneerden

 

Toegang wordt versoepeld

Op verschillende vlakken versoepelt het wetsontwerp de toegang tot flexi-jobs:

  • Voltijdse werknemers mogen voortaan een flexi-job uitoefenen bij een verbonden vennootschap (dit blijft verboden voor werknemers die slechts 4/5 werken).
  • Voor uitzendkrachten wordt het mogelijk om bij verschillende gebruikers tegelijk actief te zijn als uitzendkracht en flexi-jobber.
  • Gepensioneerden moeten hun statuut enkel hebben op het moment van de tewerkstelling (en niet meer in een vroeger referentiekwartaal).

De basisvoorwaarde blijft wel dat werknemers een hoofdactiviteit van minstens 4/5 moeten hebben om een flexi-job te kunnen uitoefenen.

 

Wijzigingen aan het flexiloon

De loonregels worden deels aangepast:

  • De grens van 150% van het barema blijft gelden, maar geldt niet langer voor wettelijke of sectorale premies (zoals overuren of nachtpremies).
  • In de horecasector wordt een vast maximum van 21 euro per uur ingevoerd (in plaats van een percentage).

 

Extra verplichtingen voor werkgevers

Werkgevers zullen verplicht zijn om een elektronisch systeem te gebruiken voor de registratie van begin- en eindtijden van flexi-jobwerknemers.

 

Overgangsmaatregelen in 2026

Voor 2026 geldt een overgangsregeling waarbij sectoren nog op kwartaalbasis kunnen worden toegelaten of uitgesloten. Bestaande uitzonderingen kunnen tijdelijk behouden blijven.



DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 26/05/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

2026/04/27

VVPRbis: Verhoging van 15% naar 18% ten vroegste vanaf 1 juni 2026

De geplande verhoging van de roerende voorheffing op dividenden onder het VVPRbis‑regime van 15% naar 18% zal niet ingaan op 1 april 2026. Intussen is bevestigd dat deze wijziging ten vroegste op 1 juni 2026 van kracht kan worden.

 

Vertraagde goedkeuring van de programmawet

De verhoging van het VVPRbis‑tarief maakt deel uit van een nieuwe programmawet. De eindstemming over deze wet werd uitgesteld tot na 1 april 2026. Aangezien de programmawet in april 2026 nog niet werd goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan zij ook niet eerder in werking treden.

Zoals gebruikelijk treedt de wet pas in werking op de eerste dag van de maand na publicatie. Hierdoor wordt de mogelijke inwerkingtreding verschoven naar 1 juni 2026, al blijft verdere vertraging niet uitgesloten.

 

Praktische impact voor kleine vennootschappen

Voor kleine vennootschappen betekent dit concreet dat er nog tot en met 31 mei 2026 dividenden kunnen worden uitgekeerd onder het huidige VVPRbis‑tarief van 15% roerende voorheffing.

Pas voor dividenduitkeringen beslist vanaf 1 juni 2026 zal het nieuwe tarief van 18% van toepassing zijn, en dat enkel op voorwaarde dat de programmawet tijdig wordt gepubliceerd.

 

Minister bevestigt duidelijke spelregels

De parlementaire antwoorden bieden duidelijke zekerheid: wie tijdig beslist, blijft onder het oude VVPRbis‑tarief van 15%, zonder risico op fiscale herkwalificatie.

De minister bevestigt uitdrukkelijk dat dividenden die worden beslist vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet kunnen worden beschouwd als fiscaal misbruik. Een belastingplichtige kan immers niet handelen in strijd met een wet die op het moment van de beslissing nog niet van kracht is. Ook het tijdstip waarop de roerende voorheffing wordt aangegeven of betaald, speelt hierbij geen rol.

Dit betekent dat dividenduitkeringen die tijdig en rechtsgeldig worden beslist, het 15%‑tarief behouden, zelfs wanneer de betaling en aangifte pas nadien plaatsvinden. Uiteraard moeten alle vennootschapsrechtelijke voorwaarden worden nageleefd, waaronder de netto‑actieftest en de liquiditeitstest.

 

Het belang van een aantoonbare beslissingsdatum

De minister wijst wel op het belang van een correcte bewijsvoering. De belastingplichtige moet de datum van de dividendbeslissing kunnen aantonen met wettelijk toegelaten bewijsmiddelen. Om discussies met de fiscale administratie te vermijden, is het aangewezen te beschikken over notulen van de algemene vergadering met een vaste datum (bv. door digitale ondertekening of ondertekening door een accountant of belastingadviseur).

 

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 27/04/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

2026/04/23

Meerwaardebelasting op financiële activa

Na maanden van onderhandelingen werd op 6 april 2026 de wet inzake de meerwaardebelasting op financiële activa definitief goedgekeurd. Met deze nieuwe regeling breekt de wetgever duidelijk met het bestaande fiscale kader door een algemene belasting op meerwaarden in te voeren. De nieuwe regels zijn van toepassing op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 en hebben een aanzienlijke impact op particulieren en bepaalde rechtspersonen die financiële activa aanhouden.

Ook jij, als ondernemer met een vennootschap, zal hierdoor met deze meerwaardebelasting worden geconfronteerd bij de verkoop van je aandelen.

 

Wie valt onder de meerwaardebelasting?

De meerwaardebelasting is verschuldigd door verschillende categorieën van belastingplichtigen. Het gaat in het bijzonder om:

· natuurlijke personen die rijksinwoner zijn van België;

· rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen;

Voor vennootschappen die aandelen bezitten verandert er niets.

Bij een gesplitste eigendom wordt wettelijk bepaald dat de inkomsten volledig worden geacht te zijn gerealiseerd door de blote eigenaar van het financieel actief.

Wanneer financiële activa worden aangehouden via een structuur zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, geldt er fiscale transparantie: de belasting verschuift dan naar de uiteindelijke vennoten, in verhouding tot hun participatie.

 

Welke financiële activa vallen onder de belasting?

Het begrip ‘financiële activa’ wordt door de wetgever zeer ruim ingevuld. Concreet worden vier afzonderlijke categorieën onderscheiden:

1. Financiële instrumenten, waaronder beursgenoteerde en niet‑beursgenoteerde aandelen, obligaties, geldmarktinstrumenten, afgeleide producten zoals opties en futures, emissierechten, ETF’s en deelnemingsrechten in instellingen voor collectieve belegging.

2. Verzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen, zoals spaar‑ en beleggingsverzekeringen (tak 21, 22, 23, 26 en 44), evenals buitenlandse producten die inhoudelijk vergelijkbaar zijn met de Belgische varianten. Groepsverzekeringen, aanvullende pensioenproducten en levensverzekeringen binnen het stelsel van het langetermijnsparen blijven expliciet uitgesloten.

3. Crypto‑activa, met inbegrip van niet‑inwisselbare tokens die worden aangehouden voor betalings‑ of investeringsdoeleinden.

4. Valuta, waaronder ook beleggingsgoud.

De meerwaardebelasting is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, met andere woorden wanneer de overdrager een tegenprestatie ontvangt.

Vrijgestelde en gelijkgestelde gebeurtenissen

Niet elke overdracht van financiële activa geeft aanleiding tot een belastbare meerwaarde. Volgende verrichtingen blijven uitdrukkelijk vrijgesteld:

· schenkingen;

· eigendomsoverdrachten bij overlijden;

· uittreding uit onverdeeldheid ingevolge overlijden, echtscheiding of beëindiging van samenwoning;

· inbreng bij huwelijk.

Daartegenover staan een aantal verrichtingen die door de wet wel gelijkgesteld worden met een overdracht onder bezwarende titel, waaronder:

· de uitkering bij leven van kapitalen of afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen;

· de zogenaamde exit‑tax bij het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.

 

Drie categorieën belastbare meerwaarden

De wet onderscheidt drie afzonderlijke regimes voor de belasting van meerwaarden. Elke overdracht kan slechts onder één categorie vallen, waarbij steeds het meest specifieke regime voorrang krijgt.

Categorie 1: interne meerwaarden

Interne meerwaarden ontstaan wanneer aandelen worden verkocht aan een vennootschap waarover de overdrager, al dan niet samen met naaste familieleden, controle uitoefent. In dat

geval wordt de gerealiseerde meerwaarde integraal belast tegen een afzonderlijk tarief van 33 procent, zonder toepassing van enige vrijstelling of gemeentebelasting.

Categorie 2: aanmerkelijk belang

Voor ondernemers met een participatie van minstens 20% in hun vennootschap geldt evenwel een gunstiger regime. Wanneer een belastingplichtige een participatie van minstens 20 procent overdraagt buiten de beroepssfeer en zonder speculatief karakter, valt de meerwaarde onder het regime van het aanmerkelijk belang. Voor deze categorie geldt een vrijstelling voor de eerste 1.000.000 euro aan meerwaarden. Boven deze drempel wordt een getrapt tarief toegepast dat oploopt van 1,25 procent tot maximaal 10 procent. De vrijstelling kan slechts éénmaal per periode van vijf opeenvolgende jaren worden benut.

Categorie 3: algemene regeling

Alle overige meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normaal beheer van het privévermogen vallen onder de algemene regeling. Deze meerwaarden worden belast tegen een afzonderlijk tarief van 10 procent, met toepassing van een jaarlijkse, geïndexeerde voetvrijstelling van 10.000 euro Maak je van deze vrijstelling geen gebruik, dan komt daar gedurende vijf jaar telkens 1.000 euro per jaar bij (tot een maximum van 15.000 euro dus).

 

Berekening van de belastbare basis

De belastbare basis wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de bewezen aanschaffingswaarde van het financieel actief. Kosten en belastingen worden daarbij niet in mindering gebracht. Eventuele minderwaarden kunnen worden verrekend, mits ze door dezelfde belastingplichtige, in hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie werden gerealiseerd.

Het fotomoment op 31 december 2025

Om historische meerwaarden buiten de nieuwe belasting te houden, hanteert de wetgever een fotomoment op 31 december 2025. Enkel de meerwaarde die na deze datum ontstaat, is belastbaar. Voor beursgenoteerde activa geldt de slotkoers van die datum; voor niet‑genoteerde activa zijn specifieke waarderingsregels van toepassing.

Voor niet‑genoteerde activa is een wettelijke standaardmethode voorzien, namelijk (EBITDA × 4) verhoogd met het eigen vermogen. Deze methode is niet verplicht: een alternatieve, verantwoorde waarderingsmethode is mogelijk, mits ze voldoende onderbouwd is. De waardering moet steeds worden op0gesteld door een bedrijfsrevisor of een onafhankelijke accountant.

Hoewel 31 december 2025 het referentiepunt vormt, voorziet de wetgever om praktische redenen in een overgangsregeling. Je hebt daardoor nog tijd tot en met 31 december 2027 om een waarderingsverslag te laten opmaken dat terugwerkt naar dit fotomoment.

Inning en aangifte van de belasting

De wijze waarop de meerwaardebelasting wordt geïnd, is afhankelijk van de categorie tot dewelke de belastbare meerwaarde hoort:

· Voor interne meerwaarden en meerwaarden op aanmerkelijk belang gebeurt de inning via de aangifte in de personenbelasting;

· Voor de algemene regeling wordt de belasting in principe aan de bron ingehouden door de financiële instelling, met latere verrekening via de aangifte.

Opt‑out

Belastingplichtigen kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van een opt‑out, waarbij geen bronheffing wordt toegepast en de meerwaarde rechtstreeks via de aangifte wordt belast.

Het voordeel van de opt-out is dat er geen prefinanciering plaatsvindt. Het nadeel is dat de financiële instelling de belastingadministratie informeert over de toepassing van de opt-out en over alle inkomsten waarop deze betrekking heeft.

2026/04/17

Maximale VAPZ-premies voor 2025 en 2026

Wie als zelfstandige fiscaal voordelig wil sparen voor zijn pensioen, kan ook in 2025 en 2026 rekenen op het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ). De FOD Financiën publiceerde recent de officiële maximumbedragen die fiscaal aftrekbaar zijn als beroepskost.

 

Wat is een VAPZ?

Een VAPZ laat zelfstandigen toe om op een fiscaal aantrekkelijke manier aanvullend pensioen op te bouwen. De betaalde premies worden beschouwd als aftrekbare beroepskosten, wat resulteert in een lagere belastbare basis voor de personenbelasting en een vermindering van de sociale bijdragen.

Maximale aftrekbare VAPZ-premies

De maximale premie wordt berekend als een percentage van het inkomen waarop de voorlopige sociale bijdragen worden berekend. Daarnaast geldt telkens een absoluut maximumbedrag.

Jaar          Type VAPZ                Percentage           Absoluut maximum

2025         Gewoon VAPZ          8,17 %                   € 4.000,44
                 Sociaal VAPZ             9,40 %.                  € 4.602,71

2026        Gewoon VAPZ           8,17 %                   € 4.086,34
                 Sociaal VAPZ             9,40 %                   € 4.701,54

 

Voorwaarden om fiscaal voordeel te genieten

  • De betaalde premie overschrijdt het wettelijk maximum niet.

  • Alle sociale bijdragen die in dat jaar opeisbaar zijn, zijn effectief en volledig betaald.

    • Kreeg je een vrijstelling van sociale bijdragen voor één of meer kwartalen? Dan is geen fiscale aftrek mogelijk. Tenzij je de vrijstelling kreeg in het kader van moederschapsrust.

  • De VAPZ-premie is daadwerkelijk betaald in het betrokken kalenderjaar.

2026/04/17

Kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen in 2026

Werkgevers die werknemers of bedrijfsleiders vergoeden voor dienstverplaatsingen met hun eigen voertuig, kunnen hiervoor een forfaitaire kilometervergoeding toekennen. Wanneer deze vergoeding niet hoger ligt dan de door de overheid vastgestelde bedragen, wordt zij beschouwd als een belastingvrije terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever.

De FOD Financiën publiceerde de geactualiseerde bedragen die in 2026 van toepassing zijn. Hieronder vindt u een overzicht, inclusief de belangrijkste fiscale aandachtspunten.

Fiscale spelregels

Een kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen is fiscaal aanvaardbaar wanneer:

  • het gaat om dienstverplaatsingen (niet om woon-werkverkeer);
  • het eigen voertuig van de werknemer, bedrijfsleider of zelfstandige wordt gebruikt;
  • de toegekende vergoeding niet hoger is dan de officiële overheidsbedragen;
  • de vergoeding correct wordt opgenomen op de fiscale fiche (281.10 of 281.20).

Indexering van de kilometervergoeding

De overheid past de kilometervergoeding in principe per kwartaal aan, om sneller in te spelen op schommelingen in de brandstofprijzen. Daarnaast blijft ook een jaarlijks forfait bestaan. Werkgevers moeten kiezen tussen het kwartaal- of het jaarsysteem en deze keuze consequent toepassen. Tussentijds overschakelen is niet toegestaan.

Overzicht kilometertarieven 2026

Indexeringssysteem              Periode                                           Kilometervergoeding

Kwartaalindexering              1 januari 2026 – 31 maart 2026       € 0,4326 / km

Kwartaalindexering              1 april 2026 – 30 juni 2026              € 0,4327 / km

Jaarlijkse indexering            1 juli 2025 – 30 juni 2026                 € 0,4449 / km

 

In sommige sectoren bepaalt het paritair comité welk systeem verplicht van toepassing is. Het is daarom aangewezen om steeds na te gaan welke regeling binnen uw sector geldt.

2026/04/08

Terugbetaling elektriciteitskosten bij thuis opladen van een bedrijfswagen

Steeds meer werknemers en bedrijfsleiders beschikken over een elektrische of plug-in hybride bedrijfswagen die thuis wordt opgeladen. In dat geval betaalt de betrokkene de elektriciteitskosten doorgaans zelf via zijn of haar privé-energiecontract. De werkgever of vennootschap kan deze kosten (gedeeltelijk of volledig) terugbetalen. De fiscus aanvaardt onder bepaalde voorwaarden dat deze terugbetaling geen bijkomend belastbaar voordeel van alle aard vormt, maar fiscaal op dezelfde manier wordt behandeld als een tankkaart bij een klassieke bedrijfswagen. Deze regeling geldt zowel voor werknemers als voor bedrijfsleiders.

Aangezien een exacte berekening van de werkelijke elektriciteitskost administratief complex kan zijn, laat de fiscus toe dat de terugbetaling gebeurt op basis van een vast bedrag per kWh, zolang dit bedrag het door de administratie vastgelegde maximale CREG‑tarief niet overschrijdt. Deze administratieve tolerantie maakt het systeem praktisch hanteerbaar voor zowel werkgever als vennootschap.

 

Toepasselijke voorwaarden

De gunstige fiscale behandeling is enkel van toepassing indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

  1. De werkgever stelt een wagen ter beschikking van de werknemer, al dan niet met een laadpaal (werknemer mag ook gebruik maken van een eigen laadpaal);
  2. De homecharger of de laadpaal beschikt over een specifiek communicatiesysteem dat aan de werkgever communiceert hoeveel elektriciteit er wordt verbruikt;
  3. De carpolicy voorziet in de vergoeding voor de elektriciteit verbruikt met deze laadpaal;
  4. De terugbetaling gebeurt o.b.v. de werkelijke elektriciteitskosten van de werknemer.

 

Maximale vaste tarieven per kWh in 2026

De FOD Financiën publiceert elk kwartaal de maximaal toegelaten vaste tarieven per kWh, bepaald op basis van de door de CREG gepubliceerde gemiddelde elektriciteitsprijzen. De onderstaande tarieven zijn van toepassing in 2026.

Kwartaal 2026                   Vlaams Gewest (€/kWh)             Brussels Hoofdstedelijk Gewest (€/kWh)               Waals Gewest (€/kWh)

Eerste kwartaal 2026              0,3132                                                0,3426                                                                                 0,3523

Tweede kwartaal 2026           0,3191                                                0,3555                                                                                 0,3636

 

De werkgever of vennootschap mag steeds een lager tarief toepassen, maar niet boven deze maximumbedragen gaan. Het toe te passen tarief wordt in principe bepaald volgens het gewest waar de werknemer of bedrijfsleider woont.

2026/03/30

Einde tolerantieperiode Peppol en verplichte e-facturatie: wat moet u weten

Sinds 1 januari 2026 is de gestructureerde elektronische factuur verplicht voor Belgische B2B-transacties. Deze facturen worden onder meer via het Peppol-netwerk uitgewisseld. De overgang naar deze nieuwe manier van factureren brengt voor veel ondernemingen praktische en technische aandachtspunten met zich mee. Daarom voorziet de FOD Financiën in een tijdelijke tolerantieperiode. In dit artikel zetten wij de belangrijkste aandachtspunten voor u op een rij.

 

De pdf is geen factuur

Bij elektronische facturatie wordt in de praktijk vaak nog een pdf-document meegestuurd met de factuur. Deze pdf is echter geen juridisch geldige factuur. De gestructureerde elektronische factuur bestaat uit een XML-bestand en dit bestand vormt het officiële en wettelijk geldige document. Enkel deze XML voldoet aan de wettelijke vereisten inzake e-facturatie en moet ook correct worden bewaard. Wie uitsluitend de pdf of de visuele weergave van de elektronische factuur bewaart, beschikt in feite niet over een geldige factuur, wat fiscale gevolgen kan hebben.

Het is daarom essentieel dat uw facturatie- en archiveringssoftware niet alleen de visualisatie, maar ook het onderliggende XML-bestand bewaart.

 

Tolerantieperiode van de FOD Financiën tijdens de eerste drie maanden van 2026

De FOD Financiën past gedurende januari, februari en maart 2026 een administratieve tolerantie toe. In deze periode worden geen sancties opgelegd voor bepaalde inbreuken op de nieuwe verplichting tot elektronische facturatie, op voorwaarde dat de onderneming kan aantonen dat zij tijdig en op redelijke wijze de nodige voorbereidingen heeft getroffen om de regels correct toe te passen.

De tolerantie geldt enkel voor inbreuken die specifiek verband houden met de invoering van de nieuwe verplichting. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de onderneming nog niet over de vereiste technische middelen beschikt om gestructureerde elektronische facturen te verzenden of te ontvangen, eventueel slechts voor bepaalde transacties zoals self-billing of

aankoopborderellen. Ook wanneer het eigen systeem of het systeem van een derde partij nog niet toelaat om een geldige gestructureerde elektronische factuur uit te reiken, bijvoorbeeld bij de combinatie van verschillende btw-regimes op één factuur, kan deze tolerantie van toepassing zijn.

In dergelijke situaties blijft de onderneming wel verplicht om op een andere manier aan haar facturatieverplichtingen te voldoen, bijvoorbeeld via een alternatief formaat of een alternatieve verzendwijze.

 

Fall back regeling bij technische problemen

Wanneer de bestemmeling van een elektronische factuur deze om technische redenen niet kan ontvangen, hetzij zelf, hetzij via een derde die in zijn naam en voor zijn rekening optreedt, is de leverancier tijdelijk niet verplicht om een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken. De verplichting om een factuur uit te reiken blijft echter bestaan. In dat geval mag de leverancier een factuur op papier uitreiken of in een niet-gestructureerde elektronische vorm, bijvoorbeeld als pdf-document.

Deze terugvalmaatregel ontslaat de ontvanger niet van zijn verplichtingen. De ontvanger blijft verplicht om elektronische facturen van zijn leveranciers te kunnen ontvangen in de vorm waarin deze worden uitgereikt en moet daarom zonder uitstel de nodige stappen ondernemen om technisch in orde te zijn.

 

Btw-aftrek wanneer geen gestructureerde elektronische factuur wordt ontvangen

Voor de uitoefening van het recht op aftrek van btw moet een belastingplichtige beschikken over een regelmatige B2B-factuur. Voor handelingen die onder de verplichte e-facturatie vallen, vereist de regelgeving in principe een gestructureerde elektronische factuur.

Toch verhindert het niet-naleven van deze verplichting door één van de partijen niet automatisch de uitoefening van het recht op btw-aftrek. Op basis van het principe van substance over form en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een belastingplichtige zijn recht op aftrek behouden indien hij beschikt over een factuur die in een andere vorm is opgesteld, maar die wel alle wettelijk verplichte vermeldingen bevat. Het ontbreken van een gestructureerde elektronische factuur kan wel aanleiding geven tot administratieve sancties.

Volgens de Europese btw-richtlijn mogen lidstaten pas vanaf 2030 een gestructureerde elektronische factuur opleggen als formele voorwaarde voor het recht op btw-aftrek.

 

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 30/03/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

2026/03/27

Modernisering btw ketting vanaf 1 mei 2026: wat verandert er voor jou?

De btw‑ketting omvat het geheel van regels rond aangifte, betaling, controle en terugbetaling van btw. Een eerste reeks wijzigingen ging al van start op 1 januari 2025, maar sommige onderdelen werden uitgesteld omdat de administratie technisch nog niet klaar was. Intussen is de planning bevestigd. Vanaf 1 mei 2026 start een nieuwe fase van deze hervorming, met belangrijke gevolgen voor de manier waarop btw‑tegoeden en betalingen worden opgevolgd.

 

Eerste wijzigingen sinds 1 januari 2025

Hoewel de hervorming van de btw‑ketting gefaseerd wordt ingevoerd, zijn sinds 1 januari 2025 al verschillende maatregelen van kracht. Zo werden de indienings‑ en betalingstermijnen voor kwartaalindieners verlengd. Daarnaast werd het sanctiebeleid hervormd, met aangepaste boetes die beter aansluiten bij de ernst en aard van de inbreuk.

Ook op het vlak van btw‑teruggaven werden belangrijke verbeteringen doorgevoerd. Voortaan kan via de periodieke btw‑aangifte enkel het btw‑tegoed worden teruggevraagd dat rechtstreeks uit die aangifte zelf voortkomt. Concreet gaat het om het bedrag dat wordt vermeld in rooster 72 van de aangifte. Wanneer geen terugbetaling wordt aangevraagd, of wanneer een teruggaaf niet wordt toegestaan, zal het btw‑tegoed in de meeste gevallen automatisch worden overgeboekt naar de btw‑provisierekening. Dat tegoed blijft daar beschikbaar en kan later nog worden gebruikt voor de vereffening van btw‑schulden of alsnog worden teruggevraagd, volgens de geldende regels.

Voor maandindieners werd bovendien een versnelde, automatische maandelijkse teruggaafprocedure ingevoerd, die voortaan als standaardprocedure wordt toegepast.

 

Nieuwe fase aangekondigd begin maart

Begin maart kondigde de FOD Financiën de volgende fase van de btw‑ketting aan. Het zwaartepunt daarbij ligt op de invoering van de btw‑provisierekening, die de huidige btw‑rekening‑courant zal vervangen. Deze wijziging gaat in vanaf 1 mei 2026.

Concreet betekent dit dat de btw‑aangifte van april 2026 en de btw‑aangifte van het tweede kwartaal 2026 de eerste periodieke aangiften zullen zijn die worden verwerkt via de btw‑provisierekening.

Wat gebeurt er met tegoeden op de btw‑rekening‑courant op 30 april 2026?

Op 30 april 2026 vindt de overgang plaats van de bestaande btw‑rekening‑courant naar de nieuwe btw‑provisierekening. Daarbij worden twee situaties onderscheiden.

Wanneer alle periodieke btw‑aangiften correct zijn ingediend tegen die datum, zal het beschikbare tegoed automatisch worden overgedragen naar de btw‑provisierekening.

Wanneer op 30 april 2026 nog minstens één btw‑aangifte ontbreekt, krijgt de belastingplichtige enkele weken de tijd om deze alsnog in te dienen. Nadien zal de btw‑administratie nagaan of het tegoed kan worden terugbetaald op de gekende bankrekening, dan wel moet worden aangewend voor de vereffening van openstaande btw‑schulden.

 

Nieuw rekeningnummer voor btw‑betalingen

In het kader van deze verdere modernisering wordt ook gewerkt met nieuwe rekeningnummers voor btw‑betalingen. Vanaf 1 mei 2026 zullen betalingen moeten gebeuren op het volgende rekeningnummer: BE41 6792 0036 4210

Wij raden ondernemingen aan om hun betaaltemplates, vaste opdrachten en interne procedures tijdig aan te passen, zodat betalingen correct en vlot blijven verlopen.

In de toekomst zal het bovendien mogelijk worden om btw‑betalingen via domiciliëring uit te voeren. Binnenkort worden hierover meer details gepubliceerd.

 

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 27/03/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

2025/09/30

Uitbreiding inhoudingsplicht vanaf 2026: wat verandert er voor jou als ondernemer?

Vanaf 1 januari 2026 wordt de inhoudingsplicht in de bouw-, schoonmaak-, bewakings- en vleessector uitgebreid. Naast de bestaande verplichtingen rond fiscale en RSZ-schulden, moet je voortaan ook nagaan of zelfstandige (onder)aannemers sociale bijdragen verschuldigd zijn aan het RSVZ. Controleer dit eenvoudig via checkinhoudingsplicht.be.

 

Wat is de inhoudingsplicht?

De inhoudingsplicht is een maatregel tegen sociale fraude. Ze verplicht jou als opdrachtgever om te controleren of je (onder)aannemer fiscale of sociale schulden heeft. Is dat het geval, dan moet je een deel van de factuur rechtstreeks doorstorten aan de RSZ of de fiscus. Sectoren waarvoor dit geldt: Werken in onroerende staat (bouw, elektrotechniek, schoonmaak, onderhoud) Levering van stortklaar beton Bewakings- en toezichtdiensten Activiteiten in de vleessector

 

Nieuw vanaf 2026: controle op sociale bijdragen zelfstandigen

Vanaf 1 januari 2026 moet je ook nagaan of zelfstandige (onder)aannemers meer dan € 2.500 aan onbetaalde sociale bijdragen hebben. Is dat het geval, dan ben je verplicht om 15% van de factuur in te houden en door te storten aan het RSVZ. De inhoudingsplicht is niet van toepassing in volgende gevallen:

  • Je bent een particuliere opdrachtgever
  • De betalingstermijn is nog niet verstreken
  • Er is een afbetalingsplan dat correct wordt nageleefd
  • Er zijn ook RSZ- of fiscale schulden (dan gelden de bestaande regels)

 

Risico bij niet-naleving: hoofdelijke aansprakelijkheid

Als je geen inhouding doet terwijl dat verplicht is, kan je hoofdelijke aansprakelijk worden gesteld voor de schulden van je (onder)aannemer. Dat betekent dat je (een deel van) de schuld zelf moet betalen — bovenop de factuur. Wat moet je concreet doen? Controleer de inhoudingsplicht op drie cruciale momenten:

1. Bij het afsluiten van de overeenkomst

2. Bij de start van de werken

3. Bij de betaling van de factuur

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 30/09/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

Blijf op de hoogte

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief met fiscale updates en ondernemersnieuws.

Website by Saleswinner