Na maanden van onderhandelingen werd op 6 april 2026 de wet inzake de meerwaardebelasting op financiële activa definitief goedgekeurd. Met deze nieuwe regeling breekt de wetgever duidelijk met het bestaande fiscale kader door een algemene belasting op meerwaarden in te voeren. De nieuwe regels zijn van toepassing op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 en hebben een aanzienlijke impact op particulieren en bepaalde rechtspersonen die financiële activa aanhouden.
Ook jij, als ondernemer met een vennootschap, zal hierdoor met deze meerwaardebelasting worden geconfronteerd bij de verkoop van je aandelen.
Wie valt onder de meerwaardebelasting?
De meerwaardebelasting is verschuldigd door verschillende categorieën van belastingplichtigen. Het gaat in het bijzonder om:
· natuurlijke personen die rijksinwoner zijn van België;
· rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen;
Voor vennootschappen die aandelen bezitten verandert er niets.
Bij een gesplitste eigendom wordt wettelijk bepaald dat de inkomsten volledig worden geacht te zijn gerealiseerd door de blote eigenaar van het financieel actief.
Wanneer financiële activa worden aangehouden via een structuur zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, geldt er fiscale transparantie: de belasting verschuift dan naar de uiteindelijke vennoten, in verhouding tot hun participatie.
Welke financiële activa vallen onder de belasting?
Het begrip ‘financiële activa’ wordt door de wetgever zeer ruim ingevuld. Concreet worden vier afzonderlijke categorieën onderscheiden:
1. Financiële instrumenten, waaronder beursgenoteerde en niet‑beursgenoteerde aandelen, obligaties, geldmarktinstrumenten, afgeleide producten zoals opties en futures, emissierechten, ETF’s en deelnemingsrechten in instellingen voor collectieve belegging.
2. Verzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen, zoals spaar‑ en beleggingsverzekeringen (tak 21, 22, 23, 26 en 44), evenals buitenlandse producten die inhoudelijk vergelijkbaar zijn met de Belgische varianten. Groepsverzekeringen, aanvullende pensioenproducten en levensverzekeringen binnen het stelsel van het langetermijnsparen blijven expliciet uitgesloten.
3. Crypto‑activa, met inbegrip van niet‑inwisselbare tokens die worden aangehouden voor betalings‑ of investeringsdoeleinden.
4. Valuta, waaronder ook beleggingsgoud.
De meerwaardebelasting is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, met andere woorden wanneer de overdrager een tegenprestatie ontvangt.
Vrijgestelde en gelijkgestelde gebeurtenissen
Niet elke overdracht van financiële activa geeft aanleiding tot een belastbare meerwaarde. Volgende verrichtingen blijven uitdrukkelijk vrijgesteld:
· schenkingen;
· eigendomsoverdrachten bij overlijden;
· uittreding uit onverdeeldheid ingevolge overlijden, echtscheiding of beëindiging van samenwoning;
· inbreng bij huwelijk.
Daartegenover staan een aantal verrichtingen die door de wet wel gelijkgesteld worden met een overdracht onder bezwarende titel, waaronder:
· de uitkering bij leven van kapitalen of afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen;
· de zogenaamde exit‑tax bij het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.
Drie categorieën belastbare meerwaarden
De wet onderscheidt drie afzonderlijke regimes voor de belasting van meerwaarden. Elke overdracht kan slechts onder één categorie vallen, waarbij steeds het meest specifieke regime voorrang krijgt.
Categorie 1: interne meerwaarden
Interne meerwaarden ontstaan wanneer aandelen worden verkocht aan een vennootschap waarover de overdrager, al dan niet samen met naaste familieleden, controle uitoefent. In dat
geval wordt de gerealiseerde meerwaarde integraal belast tegen een afzonderlijk tarief van 33 procent, zonder toepassing van enige vrijstelling of gemeentebelasting.
Categorie 2: aanmerkelijk belang
Voor ondernemers met een participatie van minstens 20% in hun vennootschap geldt evenwel een gunstiger regime. Wanneer een belastingplichtige een participatie van minstens 20 procent overdraagt buiten de beroepssfeer en zonder speculatief karakter, valt de meerwaarde onder het regime van het aanmerkelijk belang. Voor deze categorie geldt een vrijstelling voor de eerste 1.000.000 euro aan meerwaarden. Boven deze drempel wordt een getrapt tarief toegepast dat oploopt van 1,25 procent tot maximaal 10 procent. De vrijstelling kan slechts éénmaal per periode van vijf opeenvolgende jaren worden benut.
Categorie 3: algemene regeling
Alle overige meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normaal beheer van het privévermogen vallen onder de algemene regeling. Deze meerwaarden worden belast tegen een afzonderlijk tarief van 10 procent, met toepassing van een jaarlijkse, geïndexeerde voetvrijstelling van 10.000 euro Maak je van deze vrijstelling geen gebruik, dan komt daar gedurende vijf jaar telkens 1.000 euro per jaar bij (tot een maximum van 15.000 euro dus).
Berekening van de belastbare basis
De belastbare basis wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de bewezen aanschaffingswaarde van het financieel actief. Kosten en belastingen worden daarbij niet in mindering gebracht. Eventuele minderwaarden kunnen worden verrekend, mits ze door dezelfde belastingplichtige, in hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie werden gerealiseerd.
Het fotomoment op 31 december 2025
Om historische meerwaarden buiten de nieuwe belasting te houden, hanteert de wetgever een fotomoment op 31 december 2025. Enkel de meerwaarde die na deze datum ontstaat, is belastbaar. Voor beursgenoteerde activa geldt de slotkoers van die datum; voor niet‑genoteerde activa zijn specifieke waarderingsregels van toepassing.
Voor niet‑genoteerde activa is een wettelijke standaardmethode voorzien, namelijk (EBITDA × 4) verhoogd met het eigen vermogen. Deze methode is niet verplicht: een alternatieve, verantwoorde waarderingsmethode is mogelijk, mits ze voldoende onderbouwd is. De waardering moet steeds worden op0gesteld door een bedrijfsrevisor of een onafhankelijke accountant.
Hoewel 31 december 2025 het referentiepunt vormt, voorziet de wetgever om praktische redenen in een overgangsregeling. Je hebt daardoor nog tijd tot en met 31 december 2027 om een waarderingsverslag te laten opmaken dat terugwerkt naar dit fotomoment.
Inning en aangifte van de belasting
De wijze waarop de meerwaardebelasting wordt geïnd, is afhankelijk van de categorie tot dewelke de belastbare meerwaarde hoort:
· Voor interne meerwaarden en meerwaarden op aanmerkelijk belang gebeurt de inning via de aangifte in de personenbelasting;
· Voor de algemene regeling wordt de belasting in principe aan de bron ingehouden door de financiële instelling, met latere verrekening via de aangifte.
Opt‑out
Belastingplichtigen kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van een opt‑out, waarbij geen bronheffing wordt toegepast en de meerwaarde rechtstreeks via de aangifte wordt belast.
Het voordeel van de opt-out is dat er geen prefinanciering plaatsvindt. Het nadeel is dat de financiële instelling de belastingadministratie informeert over de toepassing van de opt-out en over alle inkomsten waarop deze betrekking heeft.