Maximale VAPZ-premies voor 2025 en 2026

2026/04/17

Deel dit op

Wie als zelfstandige fiscaal voordelig wil sparen voor zijn pensioen, kan ook in 2025 en 2026 rekenen op het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ). De FOD Financiën publiceerde recent de officiële maximumbedragen die fiscaal aftrekbaar zijn als beroepskost.

 

Wat is een VAPZ?

Een VAPZ laat zelfstandigen toe om op een fiscaal aantrekkelijke manier aanvullend pensioen op te bouwen. De betaalde premies worden beschouwd als aftrekbare beroepskosten, wat resulteert in een lagere belastbare basis voor de personenbelasting en een vermindering van de sociale bijdragen.

Maximale aftrekbare VAPZ-premies

De maximale premie wordt berekend als een percentage van het inkomen waarop de voorlopige sociale bijdragen worden berekend. Daarnaast geldt telkens een absoluut maximumbedrag.

Jaar          Type VAPZ                Percentage           Absoluut maximum

2025         Gewoon VAPZ          8,17 %                   € 4.000,44
                 Sociaal VAPZ             9,40 %.                  € 4.602,71

2026        Gewoon VAPZ           8,17 %                   € 4.086,34
                 Sociaal VAPZ             9,40 %                   € 4.701,54

 

Voorwaarden om fiscaal voordeel te genieten

  • De betaalde premie overschrijdt het wettelijk maximum niet.

  • Alle sociale bijdragen die in dat jaar opeisbaar zijn, zijn effectief en volledig betaald.

    • Kreeg je een vrijstelling van sociale bijdragen voor één of meer kwartalen? Dan is geen fiscale aftrek mogelijk. Tenzij je de vrijstelling kreeg in het kader van moederschapsrust.

  • De VAPZ-premie is daadwerkelijk betaald in het betrokken kalenderjaar.

Recent nieuws

2026/04/23

Meerwaardebelasting op financiële activa

Na maanden van onderhandelingen werd op 6 april 2026 de wet inzake de meerwaardebelasting op financiële activa definitief goedgekeurd. Met deze nieuwe regeling breekt de wetgever duidelijk met het bestaande fiscale kader door een algemene belasting op meerwaarden in te voeren. De nieuwe regels zijn van toepassing op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 en hebben een aanzienlijke impact op particulieren en bepaalde rechtspersonen die financiële activa aanhouden.

Ook jij, als ondernemer met een vennootschap, zal hierdoor met deze meerwaardebelasting worden geconfronteerd bij de verkoop van je aandelen.

 

Wie valt onder de meerwaardebelasting?

De meerwaardebelasting is verschuldigd door verschillende categorieën van belastingplichtigen. Het gaat in het bijzonder om:

· natuurlijke personen die rijksinwoner zijn van België;

· rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen;

Voor vennootschappen die aandelen bezitten verandert er niets.

Bij een gesplitste eigendom wordt wettelijk bepaald dat de inkomsten volledig worden geacht te zijn gerealiseerd door de blote eigenaar van het financieel actief.

Wanneer financiële activa worden aangehouden via een structuur zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, geldt er fiscale transparantie: de belasting verschuift dan naar de uiteindelijke vennoten, in verhouding tot hun participatie.

 

Welke financiële activa vallen onder de belasting?

Het begrip ‘financiële activa’ wordt door de wetgever zeer ruim ingevuld. Concreet worden vier afzonderlijke categorieën onderscheiden:

1. Financiële instrumenten, waaronder beursgenoteerde en niet‑beursgenoteerde aandelen, obligaties, geldmarktinstrumenten, afgeleide producten zoals opties en futures, emissierechten, ETF’s en deelnemingsrechten in instellingen voor collectieve belegging.

2. Verzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen, zoals spaar‑ en beleggingsverzekeringen (tak 21, 22, 23, 26 en 44), evenals buitenlandse producten die inhoudelijk vergelijkbaar zijn met de Belgische varianten. Groepsverzekeringen, aanvullende pensioenproducten en levensverzekeringen binnen het stelsel van het langetermijnsparen blijven expliciet uitgesloten.

3. Crypto‑activa, met inbegrip van niet‑inwisselbare tokens die worden aangehouden voor betalings‑ of investeringsdoeleinden.

4. Valuta, waaronder ook beleggingsgoud.

De meerwaardebelasting is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, met andere woorden wanneer de overdrager een tegenprestatie ontvangt.

Vrijgestelde en gelijkgestelde gebeurtenissen

Niet elke overdracht van financiële activa geeft aanleiding tot een belastbare meerwaarde. Volgende verrichtingen blijven uitdrukkelijk vrijgesteld:

· schenkingen;

· eigendomsoverdrachten bij overlijden;

· uittreding uit onverdeeldheid ingevolge overlijden, echtscheiding of beëindiging van samenwoning;

· inbreng bij huwelijk.

Daartegenover staan een aantal verrichtingen die door de wet wel gelijkgesteld worden met een overdracht onder bezwarende titel, waaronder:

· de uitkering bij leven van kapitalen of afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen;

· de zogenaamde exit‑tax bij het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.

 

Drie categorieën belastbare meerwaarden

De wet onderscheidt drie afzonderlijke regimes voor de belasting van meerwaarden. Elke overdracht kan slechts onder één categorie vallen, waarbij steeds het meest specifieke regime voorrang krijgt.

Categorie 1: interne meerwaarden

Interne meerwaarden ontstaan wanneer aandelen worden verkocht aan een vennootschap waarover de overdrager, al dan niet samen met naaste familieleden, controle uitoefent. In dat

geval wordt de gerealiseerde meerwaarde integraal belast tegen een afzonderlijk tarief van 33 procent, zonder toepassing van enige vrijstelling of gemeentebelasting.

Categorie 2: aanmerkelijk belang

Voor ondernemers met een participatie van minstens 20% in hun vennootschap geldt evenwel een gunstiger regime. Wanneer een belastingplichtige een participatie van minstens 20 procent overdraagt buiten de beroepssfeer en zonder speculatief karakter, valt de meerwaarde onder het regime van het aanmerkelijk belang. Voor deze categorie geldt een vrijstelling voor de eerste 1.000.000 euro aan meerwaarden. Boven deze drempel wordt een getrapt tarief toegepast dat oploopt van 1,25 procent tot maximaal 10 procent. De vrijstelling kan slechts éénmaal per periode van vijf opeenvolgende jaren worden benut.

Categorie 3: algemene regeling

Alle overige meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normaal beheer van het privévermogen vallen onder de algemene regeling. Deze meerwaarden worden belast tegen een afzonderlijk tarief van 10 procent, met toepassing van een jaarlijkse, geïndexeerde voetvrijstelling van 10.000 euro Maak je van deze vrijstelling geen gebruik, dan komt daar gedurende vijf jaar telkens 1.000 euro per jaar bij (tot een maximum van 15.000 euro dus).

 

Berekening van de belastbare basis

De belastbare basis wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de bewezen aanschaffingswaarde van het financieel actief. Kosten en belastingen worden daarbij niet in mindering gebracht. Eventuele minderwaarden kunnen worden verrekend, mits ze door dezelfde belastingplichtige, in hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie werden gerealiseerd.

Het fotomoment op 31 december 2025

Om historische meerwaarden buiten de nieuwe belasting te houden, hanteert de wetgever een fotomoment op 31 december 2025. Enkel de meerwaarde die na deze datum ontstaat, is belastbaar. Voor beursgenoteerde activa geldt de slotkoers van die datum; voor niet‑genoteerde activa zijn specifieke waarderingsregels van toepassing.

Voor niet‑genoteerde activa is een wettelijke standaardmethode voorzien, namelijk (EBITDA × 4) verhoogd met het eigen vermogen. Deze methode is niet verplicht: een alternatieve, verantwoorde waarderingsmethode is mogelijk, mits ze voldoende onderbouwd is. De waardering moet steeds worden op0gesteld door een bedrijfsrevisor of een onafhankelijke accountant.

Hoewel 31 december 2025 het referentiepunt vormt, voorziet de wetgever om praktische redenen in een overgangsregeling. Je hebt daardoor nog tijd tot en met 31 december 2027 om een waarderingsverslag te laten opmaken dat terugwerkt naar dit fotomoment.

Inning en aangifte van de belasting

De wijze waarop de meerwaardebelasting wordt geïnd, is afhankelijk van de categorie tot dewelke de belastbare meerwaarde hoort:

· Voor interne meerwaarden en meerwaarden op aanmerkelijk belang gebeurt de inning via de aangifte in de personenbelasting;

· Voor de algemene regeling wordt de belasting in principe aan de bron ingehouden door de financiële instelling, met latere verrekening via de aangifte.

Opt‑out

Belastingplichtigen kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van een opt‑out, waarbij geen bronheffing wordt toegepast en de meerwaarde rechtstreeks via de aangifte wordt belast.

Het voordeel van de opt-out is dat er geen prefinanciering plaatsvindt. Het nadeel is dat de financiële instelling de belastingadministratie informeert over de toepassing van de opt-out en over alle inkomsten waarop deze betrekking heeft.

2026/04/17

Kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen in 2026

Werkgevers die werknemers of bedrijfsleiders vergoeden voor dienstverplaatsingen met hun eigen voertuig, kunnen hiervoor een forfaitaire kilometervergoeding toekennen. Wanneer deze vergoeding niet hoger ligt dan de door de overheid vastgestelde bedragen, wordt zij beschouwd als een belastingvrije terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever.

De FOD Financiën publiceerde de geactualiseerde bedragen die in 2026 van toepassing zijn. Hieronder vindt u een overzicht, inclusief de belangrijkste fiscale aandachtspunten.

Fiscale spelregels

Een kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen is fiscaal aanvaardbaar wanneer:

  • het gaat om dienstverplaatsingen (niet om woon-werkverkeer);
  • het eigen voertuig van de werknemer, bedrijfsleider of zelfstandige wordt gebruikt;
  • de toegekende vergoeding niet hoger is dan de officiële overheidsbedragen;
  • de vergoeding correct wordt opgenomen op de fiscale fiche (281.10 of 281.20).

Indexering van de kilometervergoeding

De overheid past de kilometervergoeding in principe per kwartaal aan, om sneller in te spelen op schommelingen in de brandstofprijzen. Daarnaast blijft ook een jaarlijks forfait bestaan. Werkgevers moeten kiezen tussen het kwartaal- of het jaarsysteem en deze keuze consequent toepassen. Tussentijds overschakelen is niet toegestaan.

Overzicht kilometertarieven 2026

Indexeringssysteem              Periode                                           Kilometervergoeding

Kwartaalindexering              1 januari 2026 – 31 maart 2026       € 0,4326 / km

Kwartaalindexering              1 april 2026 – 30 juni 2026              € 0,4327 / km

Jaarlijkse indexering            1 juli 2025 – 30 juni 2026                 € 0,4449 / km

 

In sommige sectoren bepaalt het paritair comité welk systeem verplicht van toepassing is. Het is daarom aangewezen om steeds na te gaan welke regeling binnen uw sector geldt.

2026/04/08

Terugbetaling elektriciteitskosten bij thuis opladen van een bedrijfswagen

Steeds meer werknemers en bedrijfsleiders beschikken over een elektrische of plug-in hybride bedrijfswagen die thuis wordt opgeladen. In dat geval betaalt de betrokkene de elektriciteitskosten doorgaans zelf via zijn of haar privé-energiecontract. De werkgever of vennootschap kan deze kosten (gedeeltelijk of volledig) terugbetalen. De fiscus aanvaardt onder bepaalde voorwaarden dat deze terugbetaling geen bijkomend belastbaar voordeel van alle aard vormt, maar fiscaal op dezelfde manier wordt behandeld als een tankkaart bij een klassieke bedrijfswagen. Deze regeling geldt zowel voor werknemers als voor bedrijfsleiders.

Aangezien een exacte berekening van de werkelijke elektriciteitskost administratief complex kan zijn, laat de fiscus toe dat de terugbetaling gebeurt op basis van een vast bedrag per kWh, zolang dit bedrag het door de administratie vastgelegde maximale CREG‑tarief niet overschrijdt. Deze administratieve tolerantie maakt het systeem praktisch hanteerbaar voor zowel werkgever als vennootschap.

 

Toepasselijke voorwaarden

De gunstige fiscale behandeling is enkel van toepassing indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

  1. De werkgever stelt een wagen ter beschikking van de werknemer, al dan niet met een laadpaal (werknemer mag ook gebruik maken van een eigen laadpaal);
  2. De homecharger of de laadpaal beschikt over een specifiek communicatiesysteem dat aan de werkgever communiceert hoeveel elektriciteit er wordt verbruikt;
  3. De carpolicy voorziet in de vergoeding voor de elektriciteit verbruikt met deze laadpaal;
  4. De terugbetaling gebeurt o.b.v. de werkelijke elektriciteitskosten van de werknemer.

 

Maximale vaste tarieven per kWh in 2026

De FOD Financiën publiceert elk kwartaal de maximaal toegelaten vaste tarieven per kWh, bepaald op basis van de door de CREG gepubliceerde gemiddelde elektriciteitsprijzen. De onderstaande tarieven zijn van toepassing in 2026.

Kwartaal 2026                   Vlaams Gewest (€/kWh)             Brussels Hoofdstedelijk Gewest (€/kWh)               Waals Gewest (€/kWh)

Eerste kwartaal 2026              0,3132                                                0,3426                                                                                 0,3523

Tweede kwartaal 2026           0,3191                                                0,3555                                                                                 0,3636

 

De werkgever of vennootschap mag steeds een lager tarief toepassen, maar niet boven deze maximumbedragen gaan. Het toe te passen tarief wordt in principe bepaald volgens het gewest waar de werknemer of bedrijfsleider woont.

Blijf op de hoogte

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief met fiscale updates en ondernemersnieuws.

Website by Saleswinner