Bescherm uw gezinswoning tegen professionele schuldeisers

2026/05/26

Deel dit op

Wanneer u als zelfstandige actief bent, bestaat er geen strikt onderscheid tussen uw beroepsvermogen en uw privévermogen. Dit betekent dat schuldeisers zich in bepaalde situaties ook kunnen richten tot uw persoonlijke bezittingen, waaronder uw gezinswoning. Denk hierbij aan gevallen van financiële moeilijkheden, schadeclaims of een faillissement. Gelukkig bestaat er een wettelijke mogelijkheid om uw gezinswoning beter te beschermen: de verklaring van onbeslagbaarheid.

 

Wat is een verklaring van onbeslagbaarheid?

Door middel van een verklaring van onbeslagbaarheid kan een zelfstandige zijn of haar hoofdverblijfplaats beschermen tegen professionele schuldeisers. Deze verklaring wordt afgelegd bij de notaris, die de akte vervolgens laat registreren bij het Kantoor Rechtszekerheid. Vanaf dat moment is de bescherming tegenstelbaar aan derden.

Belangrijk om te weten is dat deze bescherming enkel geldt voor schulden die ontstaan na de neerlegging van de verklaring. Schulden die dateren van vóór deze verklaring blijven dus volledig uitvoerbaar op het privévermogen.

 

Welke schulden vallen onder de bescherming?

De regeling (bescherming) viseert uitsluitend zuivere beroepsschulden. Schulden van gemengde aard vallen buiten het toepassingsgebied van de verklaring van onbeslagbaarheid.

Uit recente rechtspraak blijkt dat fiscale schulden in de personenbelasting per definitie als schulden van gemengde aard worden beschouwd. Hierdoor zijn zij uitgesloten van de bescherming. Anders gezegd, de verklaring biedt geen bescherming als er beslag op de woning wordt gelegd wegens een openstaande schuld inzake personenbelasting.

Daarentegen vormen btw-schulden een typisch voorbeeld van zuivere beroepsschulden, waardoor zij wél onder de regeling kunnen vallen.

 

Wie kan hiervan gebruik maken?

Het begrip ‘zelfstandige’ is hier een ruim begrip dat slaat op alle natuurlijke personen en vrije beroepers die een beroepsactiviteit uitoefenen, zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst of een statuut.

In eerste instantie gaat het om ondernemers die geen vennootschap oprichten voor de uitoefening van hun zelfstandige activiteit en werken via eenmanszaken.

Ook ondernemers die wel een vennootschap oprichten, maar waarbij niet kan worden genoten van de beperkte aansprakelijkheid (denk bijvoorbeeld aan de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap), kunnen zo een verklaring leggen.

Ten slotte komen zelfstandigen in bijberoep of zelfstandigen die na hun pensioen nog actief zijn eveneens in aanmerking.

 

Welke woning komt in aanmerking?

Enkel de gezinswoning, zijnde de hoofdverblijfplaats, kan beschermd worden. Dit is de plaats waar u effectief woont en waar uw gezin en voornaamste belangen zich bevinden.

De bescherming geldt ook indien u niet de volle eigenaar bent, bijvoorbeeld wanneer u mede-eigenaar of vruchtgebruiker bent. In geval van huur (louter gebruiksrecht) kan er echter geen beroep gedaan worden op deze regeling.

 

Wat bij gemengd gebruik?

Indien u uw woning deels professioneel gebruikt, wordt er een onderscheid gemaakt:

  • Bij minder dan 30% beroepsmatig gebruik kan de volledige woning beschermd worden
  • Bij 30% of meer kan enkel het privédeel worden beschermd

 

Wat bij verkoop en aankoop van een nieuwe woning?

Wanneer u uw woning verkoopt en een nieuwe gezinswoning aankoopt, kan de bescherming behouden blijven, mits aan drie voorwaarden voldaan is:

  • De verkoopopbrengst wordt tijdelijk bewaard bij de notaris
  • De nieuwe woning wordt aangekocht binnen één jaar
  • In de aankoopakte wordt expliciet vermeld dat het om een wederbelegging gaat

 

Kan u afstand doen van deze bescherming?

Ja, dit is mogelijk. In de praktijk gebeurt dit vaak wanneer een bank bijkomende zekerheden vraagt bij een kredietaanvraag. Let wel: een afstand is algemeen en geldt voor alle professionele schulden.

 

Wat bij overlijden?

De bescherming is persoonlijk en vervalt bij het overlijden van de zelfstandige. Erfgenamen kunnen hier dus geen beroep meer op doen voor de toekomst.

Recent nieuws

2026/05/26

Flexi-jobs sterk uitgebreid vanaf 1 juli 2026

De federale regering heeft een wetsontwerp ingediend dat het systeem van flexi-jobs aanzienlijk uitbreidt en versoepelt. Indien goedgekeurd, treden de nieuwe regels in werking op 1 juli 2026.

Met deze hervorming wil de regering flexi-jobs aantrekkelijker en breder inzetbaar maken op de arbeidsmarkt. Tegelijk blijft er ruimte voor sectorale correcties via sociale overlegorganen.

 

Uitbreiding naar bijna alle sectoren

De belangrijkste wijziging is dat flexi-jobs in principe mogelijk worden in de volledige private én publieke sector. Vandaag is het systeem nog beperkt tot een aantal specifieke sectoren.

Sectoren kunnen wel nog worden uitgesloten via een zogenaamde “opt-out”, op vraag van de sociale partners. Deze uitsluiting wordt vastgelegd via een koninklijk besluit. Ook gedeeltelijke uitsluitingen (bv. bepaalde activiteiten of een percentage van het arbeidsvolume) blijven mogelijk, onder meer in de zorgsector.

 

Fiscale en sociale regeling blijft behouden

Het gunstige regime blijft grotendeels ongewijzigd:

  • geen gewone RSZ-bijdragen, maar een bijzondere werkgeversbijdrage van 28%
  • belastingvrijstelling voor flexilonen
    • onbeperkt voor gepensioneerden
    • beperkt tot ± 18.440 EUR (geïndexeerd) voor niet-gepensioneerden

 

Toegang wordt versoepeld

Op verschillende vlakken versoepelt het wetsontwerp de toegang tot flexi-jobs:

  • Voltijdse werknemers mogen voortaan een flexi-job uitoefenen bij een verbonden vennootschap (dit blijft verboden voor werknemers die slechts 4/5 werken).
  • Voor uitzendkrachten wordt het mogelijk om bij verschillende gebruikers tegelijk actief te zijn als uitzendkracht en flexi-jobber.
  • Gepensioneerden moeten hun statuut enkel hebben op het moment van de tewerkstelling (en niet meer in een vroeger referentiekwartaal).

De basisvoorwaarde blijft wel dat werknemers een hoofdactiviteit van minstens 4/5 moeten hebben om een flexi-job te kunnen uitoefenen.

 

Wijzigingen aan het flexiloon

De loonregels worden deels aangepast:

  • De grens van 150% van het barema blijft gelden, maar geldt niet langer voor wettelijke of sectorale premies (zoals overuren of nachtpremies).
  • In de horecasector wordt een vast maximum van 21 euro per uur ingevoerd (in plaats van een percentage).

 

Extra verplichtingen voor werkgevers

Werkgevers zullen verplicht zijn om een elektronisch systeem te gebruiken voor de registratie van begin- en eindtijden van flexi-jobwerknemers.

 

Overgangsmaatregelen in 2026

Voor 2026 geldt een overgangsregeling waarbij sectoren nog op kwartaalbasis kunnen worden toegelaten of uitgesloten. Bestaande uitzonderingen kunnen tijdelijk behouden blijven.

2026/04/27

VVPRbis: Verhoging van 15% naar 18% ten vroegste vanaf 1 juni 2026

De geplande verhoging van de roerende voorheffing op dividenden onder het VVPRbis‑regime van 15% naar 18% zal niet ingaan op 1 april 2026. Intussen is bevestigd dat deze wijziging ten vroegste op 1 juni 2026 van kracht kan worden.

 

Vertraagde goedkeuring van de programmawet

De verhoging van het VVPRbis‑tarief maakt deel uit van een nieuwe programmawet. De eindstemming over deze wet werd uitgesteld tot na 1 april 2026. Aangezien de programmawet in april 2026 nog niet werd goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan zij ook niet eerder in werking treden.

Zoals gebruikelijk treedt de wet pas in werking op de eerste dag van de maand na publicatie. Hierdoor wordt de mogelijke inwerkingtreding verschoven naar 1 juni 2026, al blijft verdere vertraging niet uitgesloten.

 

Praktische impact voor kleine vennootschappen

Voor kleine vennootschappen betekent dit concreet dat er nog tot en met 31 mei 2026 dividenden kunnen worden uitgekeerd onder het huidige VVPRbis‑tarief van 15% roerende voorheffing.

Pas voor dividenduitkeringen beslist vanaf 1 juni 2026 zal het nieuwe tarief van 18% van toepassing zijn, en dat enkel op voorwaarde dat de programmawet tijdig wordt gepubliceerd.

 

Minister bevestigt duidelijke spelregels

De parlementaire antwoorden bieden duidelijke zekerheid: wie tijdig beslist, blijft onder het oude VVPRbis‑tarief van 15%, zonder risico op fiscale herkwalificatie.

De minister bevestigt uitdrukkelijk dat dividenden die worden beslist vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet kunnen worden beschouwd als fiscaal misbruik. Een belastingplichtige kan immers niet handelen in strijd met een wet die op het moment van de beslissing nog niet van kracht is. Ook het tijdstip waarop de roerende voorheffing wordt aangegeven of betaald, speelt hierbij geen rol.

Dit betekent dat dividenduitkeringen die tijdig en rechtsgeldig worden beslist, het 15%‑tarief behouden, zelfs wanneer de betaling en aangifte pas nadien plaatsvinden. Uiteraard moeten alle vennootschapsrechtelijke voorwaarden worden nageleefd, waaronder de netto‑actieftest en de liquiditeitstest.

 

Het belang van een aantoonbare beslissingsdatum

De minister wijst wel op het belang van een correcte bewijsvoering. De belastingplichtige moet de datum van de dividendbeslissing kunnen aantonen met wettelijk toegelaten bewijsmiddelen. Om discussies met de fiscale administratie te vermijden, is het aangewezen te beschikken over notulen van de algemene vergadering met een vaste datum (bv. door digitale ondertekening of ondertekening door een accountant of belastingadviseur).

Blijf op de hoogte

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief met fiscale updates en ondernemersnieuws.

Website by Saleswinner