Einde tolerantieperiode Peppol en verplichte e-facturatie: wat moet u weten

2026/03/30

Deel dit op

Sinds 1 januari 2026 is de gestructureerde elektronische factuur verplicht voor Belgische B2B-transacties. Deze facturen worden onder meer via het Peppol-netwerk uitgewisseld. De overgang naar deze nieuwe manier van factureren brengt voor veel ondernemingen praktische en technische aandachtspunten met zich mee. Daarom voorziet de FOD Financiën in een tijdelijke tolerantieperiode. In dit artikel zetten wij de belangrijkste aandachtspunten voor u op een rij.

 

De pdf is geen factuur

Bij elektronische facturatie wordt in de praktijk vaak nog een pdf-document meegestuurd met de factuur. Deze pdf is echter geen juridisch geldige factuur. De gestructureerde elektronische factuur bestaat uit een XML-bestand en dit bestand vormt het officiële en wettelijk geldige document. Enkel deze XML voldoet aan de wettelijke vereisten inzake e-facturatie en moet ook correct worden bewaard. Wie uitsluitend de pdf of de visuele weergave van de elektronische factuur bewaart, beschikt in feite niet over een geldige factuur, wat fiscale gevolgen kan hebben.

Het is daarom essentieel dat uw facturatie- en archiveringssoftware niet alleen de visualisatie, maar ook het onderliggende XML-bestand bewaart.

 

Tolerantieperiode van de FOD Financiën tijdens de eerste drie maanden van 2026

De FOD Financiën past gedurende januari, februari en maart 2026 een administratieve tolerantie toe. In deze periode worden geen sancties opgelegd voor bepaalde inbreuken op de nieuwe verplichting tot elektronische facturatie, op voorwaarde dat de onderneming kan aantonen dat zij tijdig en op redelijke wijze de nodige voorbereidingen heeft getroffen om de regels correct toe te passen.

De tolerantie geldt enkel voor inbreuken die specifiek verband houden met de invoering van de nieuwe verplichting. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de onderneming nog niet over de vereiste technische middelen beschikt om gestructureerde elektronische facturen te verzenden of te ontvangen, eventueel slechts voor bepaalde transacties zoals self-billing of

aankoopborderellen. Ook wanneer het eigen systeem of het systeem van een derde partij nog niet toelaat om een geldige gestructureerde elektronische factuur uit te reiken, bijvoorbeeld bij de combinatie van verschillende btw-regimes op één factuur, kan deze tolerantie van toepassing zijn.

In dergelijke situaties blijft de onderneming wel verplicht om op een andere manier aan haar facturatieverplichtingen te voldoen, bijvoorbeeld via een alternatief formaat of een alternatieve verzendwijze.

 

Fall back regeling bij technische problemen

Wanneer de bestemmeling van een elektronische factuur deze om technische redenen niet kan ontvangen, hetzij zelf, hetzij via een derde die in zijn naam en voor zijn rekening optreedt, is de leverancier tijdelijk niet verplicht om een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken. De verplichting om een factuur uit te reiken blijft echter bestaan. In dat geval mag de leverancier een factuur op papier uitreiken of in een niet-gestructureerde elektronische vorm, bijvoorbeeld als pdf-document.

Deze terugvalmaatregel ontslaat de ontvanger niet van zijn verplichtingen. De ontvanger blijft verplicht om elektronische facturen van zijn leveranciers te kunnen ontvangen in de vorm waarin deze worden uitgereikt en moet daarom zonder uitstel de nodige stappen ondernemen om technisch in orde te zijn.

 

Btw-aftrek wanneer geen gestructureerde elektronische factuur wordt ontvangen

Voor de uitoefening van het recht op aftrek van btw moet een belastingplichtige beschikken over een regelmatige B2B-factuur. Voor handelingen die onder de verplichte e-facturatie vallen, vereist de regelgeving in principe een gestructureerde elektronische factuur.

Toch verhindert het niet-naleven van deze verplichting door één van de partijen niet automatisch de uitoefening van het recht op btw-aftrek. Op basis van het principe van substance over form en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een belastingplichtige zijn recht op aftrek behouden indien hij beschikt over een factuur die in een andere vorm is opgesteld, maar die wel alle wettelijk verplichte vermeldingen bevat. Het ontbreken van een gestructureerde elektronische factuur kan wel aanleiding geven tot administratieve sancties.

Volgens de Europese btw-richtlijn mogen lidstaten pas vanaf 2030 een gestructureerde elektronische factuur opleggen als formele voorwaarde voor het recht op btw-aftrek.

Recent nieuws

2026/04/27

VVPRbis: Verhoging van 15% naar 18% ten vroegste vanaf 1 juni 2026

De geplande verhoging van de roerende voorheffing op dividenden onder het VVPRbis‑regime van 15% naar 18% zal niet ingaan op 1 april 2026. Intussen is bevestigd dat deze wijziging ten vroegste op 1 juni 2026 van kracht kan worden.

 

Vertraagde goedkeuring van de programmawet

De verhoging van het VVPRbis‑tarief maakt deel uit van een nieuwe programmawet. De eindstemming over deze wet werd uitgesteld tot na 1 april 2026. Aangezien de programmawet in april 2026 nog niet werd goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan zij ook niet eerder in werking treden.

Zoals gebruikelijk treedt de wet pas in werking op de eerste dag van de maand na publicatie. Hierdoor wordt de mogelijke inwerkingtreding verschoven naar 1 juni 2026, al blijft verdere vertraging niet uitgesloten.

 

Praktische impact voor kleine vennootschappen

Voor kleine vennootschappen betekent dit concreet dat er nog tot en met 31 mei 2026 dividenden kunnen worden uitgekeerd onder het huidige VVPRbis‑tarief van 15% roerende voorheffing.

Pas voor dividenduitkeringen beslist vanaf 1 juni 2026 zal het nieuwe tarief van 18% van toepassing zijn, en dat enkel op voorwaarde dat de programmawet tijdig wordt gepubliceerd.

 

Minister bevestigt duidelijke spelregels

De parlementaire antwoorden bieden duidelijke zekerheid: wie tijdig beslist, blijft onder het oude VVPRbis‑tarief van 15%, zonder risico op fiscale herkwalificatie.

De minister bevestigt uitdrukkelijk dat dividenden die worden beslist vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet kunnen worden beschouwd als fiscaal misbruik. Een belastingplichtige kan immers niet handelen in strijd met een wet die op het moment van de beslissing nog niet van kracht is. Ook het tijdstip waarop de roerende voorheffing wordt aangegeven of betaald, speelt hierbij geen rol.

Dit betekent dat dividenduitkeringen die tijdig en rechtsgeldig worden beslist, het 15%‑tarief behouden, zelfs wanneer de betaling en aangifte pas nadien plaatsvinden. Uiteraard moeten alle vennootschapsrechtelijke voorwaarden worden nageleefd, waaronder de netto‑actieftest en de liquiditeitstest.

 

Het belang van een aantoonbare beslissingsdatum

De minister wijst wel op het belang van een correcte bewijsvoering. De belastingplichtige moet de datum van de dividendbeslissing kunnen aantonen met wettelijk toegelaten bewijsmiddelen. Om discussies met de fiscale administratie te vermijden, is het aangewezen te beschikken over notulen van de algemene vergadering met een vaste datum (bv. door digitale ondertekening of ondertekening door een accountant of belastingadviseur).

2026/04/23

Meerwaardebelasting op financiële activa

Na maanden van onderhandelingen werd op 6 april 2026 de wet inzake de meerwaardebelasting op financiële activa definitief goedgekeurd. Met deze nieuwe regeling breekt de wetgever duidelijk met het bestaande fiscale kader door een algemene belasting op meerwaarden in te voeren. De nieuwe regels zijn van toepassing op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 en hebben een aanzienlijke impact op particulieren en bepaalde rechtspersonen die financiële activa aanhouden.

Ook jij, als ondernemer met een vennootschap, zal hierdoor met deze meerwaardebelasting worden geconfronteerd bij de verkoop van je aandelen.

 

Wie valt onder de meerwaardebelasting?

De meerwaardebelasting is verschuldigd door verschillende categorieën van belastingplichtigen. Het gaat in het bijzonder om:

· natuurlijke personen die rijksinwoner zijn van België;

· rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen;

Voor vennootschappen die aandelen bezitten verandert er niets.

Bij een gesplitste eigendom wordt wettelijk bepaald dat de inkomsten volledig worden geacht te zijn gerealiseerd door de blote eigenaar van het financieel actief.

Wanneer financiële activa worden aangehouden via een structuur zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, geldt er fiscale transparantie: de belasting verschuift dan naar de uiteindelijke vennoten, in verhouding tot hun participatie.

 

Welke financiële activa vallen onder de belasting?

Het begrip ‘financiële activa’ wordt door de wetgever zeer ruim ingevuld. Concreet worden vier afzonderlijke categorieën onderscheiden:

1. Financiële instrumenten, waaronder beursgenoteerde en niet‑beursgenoteerde aandelen, obligaties, geldmarktinstrumenten, afgeleide producten zoals opties en futures, emissierechten, ETF’s en deelnemingsrechten in instellingen voor collectieve belegging.

2. Verzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen, zoals spaar‑ en beleggingsverzekeringen (tak 21, 22, 23, 26 en 44), evenals buitenlandse producten die inhoudelijk vergelijkbaar zijn met de Belgische varianten. Groepsverzekeringen, aanvullende pensioenproducten en levensverzekeringen binnen het stelsel van het langetermijnsparen blijven expliciet uitgesloten.

3. Crypto‑activa, met inbegrip van niet‑inwisselbare tokens die worden aangehouden voor betalings‑ of investeringsdoeleinden.

4. Valuta, waaronder ook beleggingsgoud.

De meerwaardebelasting is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, met andere woorden wanneer de overdrager een tegenprestatie ontvangt.

Vrijgestelde en gelijkgestelde gebeurtenissen

Niet elke overdracht van financiële activa geeft aanleiding tot een belastbare meerwaarde. Volgende verrichtingen blijven uitdrukkelijk vrijgesteld:

· schenkingen;

· eigendomsoverdrachten bij overlijden;

· uittreding uit onverdeeldheid ingevolge overlijden, echtscheiding of beëindiging van samenwoning;

· inbreng bij huwelijk.

Daartegenover staan een aantal verrichtingen die door de wet wel gelijkgesteld worden met een overdracht onder bezwarende titel, waaronder:

· de uitkering bij leven van kapitalen of afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen;

· de zogenaamde exit‑tax bij het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.

 

Drie categorieën belastbare meerwaarden

De wet onderscheidt drie afzonderlijke regimes voor de belasting van meerwaarden. Elke overdracht kan slechts onder één categorie vallen, waarbij steeds het meest specifieke regime voorrang krijgt.

Categorie 1: interne meerwaarden

Interne meerwaarden ontstaan wanneer aandelen worden verkocht aan een vennootschap waarover de overdrager, al dan niet samen met naaste familieleden, controle uitoefent. In dat

geval wordt de gerealiseerde meerwaarde integraal belast tegen een afzonderlijk tarief van 33 procent, zonder toepassing van enige vrijstelling of gemeentebelasting.

Categorie 2: aanmerkelijk belang

Voor ondernemers met een participatie van minstens 20% in hun vennootschap geldt evenwel een gunstiger regime. Wanneer een belastingplichtige een participatie van minstens 20 procent overdraagt buiten de beroepssfeer en zonder speculatief karakter, valt de meerwaarde onder het regime van het aanmerkelijk belang. Voor deze categorie geldt een vrijstelling voor de eerste 1.000.000 euro aan meerwaarden. Boven deze drempel wordt een getrapt tarief toegepast dat oploopt van 1,25 procent tot maximaal 10 procent. De vrijstelling kan slechts éénmaal per periode van vijf opeenvolgende jaren worden benut.

Categorie 3: algemene regeling

Alle overige meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normaal beheer van het privévermogen vallen onder de algemene regeling. Deze meerwaarden worden belast tegen een afzonderlijk tarief van 10 procent, met toepassing van een jaarlijkse, geïndexeerde voetvrijstelling van 10.000 euro Maak je van deze vrijstelling geen gebruik, dan komt daar gedurende vijf jaar telkens 1.000 euro per jaar bij (tot een maximum van 15.000 euro dus).

 

Berekening van de belastbare basis

De belastbare basis wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de bewezen aanschaffingswaarde van het financieel actief. Kosten en belastingen worden daarbij niet in mindering gebracht. Eventuele minderwaarden kunnen worden verrekend, mits ze door dezelfde belastingplichtige, in hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie werden gerealiseerd.

Het fotomoment op 31 december 2025

Om historische meerwaarden buiten de nieuwe belasting te houden, hanteert de wetgever een fotomoment op 31 december 2025. Enkel de meerwaarde die na deze datum ontstaat, is belastbaar. Voor beursgenoteerde activa geldt de slotkoers van die datum; voor niet‑genoteerde activa zijn specifieke waarderingsregels van toepassing.

Voor niet‑genoteerde activa is een wettelijke standaardmethode voorzien, namelijk (EBITDA × 4) verhoogd met het eigen vermogen. Deze methode is niet verplicht: een alternatieve, verantwoorde waarderingsmethode is mogelijk, mits ze voldoende onderbouwd is. De waardering moet steeds worden op0gesteld door een bedrijfsrevisor of een onafhankelijke accountant.

Hoewel 31 december 2025 het referentiepunt vormt, voorziet de wetgever om praktische redenen in een overgangsregeling. Je hebt daardoor nog tijd tot en met 31 december 2027 om een waarderingsverslag te laten opmaken dat terugwerkt naar dit fotomoment.

Inning en aangifte van de belasting

De wijze waarop de meerwaardebelasting wordt geïnd, is afhankelijk van de categorie tot dewelke de belastbare meerwaarde hoort:

· Voor interne meerwaarden en meerwaarden op aanmerkelijk belang gebeurt de inning via de aangifte in de personenbelasting;

· Voor de algemene regeling wordt de belasting in principe aan de bron ingehouden door de financiële instelling, met latere verrekening via de aangifte.

Opt‑out

Belastingplichtigen kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van een opt‑out, waarbij geen bronheffing wordt toegepast en de meerwaarde rechtstreeks via de aangifte wordt belast.

Het voordeel van de opt-out is dat er geen prefinanciering plaatsvindt. Het nadeel is dat de financiële instelling de belastingadministratie informeert over de toepassing van de opt-out en over alle inkomsten waarop deze betrekking heeft.

Blijf op de hoogte

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief met fiscale updates en ondernemersnieuws.

Website by Saleswinner