Nieuwe spelregels voor bedrijfsleiders in 2026: minimumbezoldiging stijgt naar € 51.000 en beperking op voordelen alle aard

2026/08/28

Deel dit op

Met de hervorming van de personenbelasting wijzigt de wetgever enkele belangrijke regels voor bedrijfsleiders van kleine vennootschappen. Vanaf aanslagjaar 2027 (inkomstenjaar 2026) stijgt de minimumbezoldiging voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting naar € 51.000 en wordt een nieuwe beperking ingevoerd voor forfaitaire voordelen alle aard (VAA).

Deze wijzigingen kunnen een aanzienlijke impact hebben op de fiscale optimalisatie van uw bezoldigingspakket en verdienen daarom tijdige aandacht.

 

Verlaagd tarief vennootschapsbelasting: nieuwe minimumbezoldiging van € 51.000

Kleine vennootschappen kunnen op de eerste schijf van € 100.000 belastbare winst genieten van het verlaagd vennootschapstarief van 20% in plaats van het standaardtarief van 25%.

Om dit gunsttarief te kunnen toepassen, moet onder meer aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon een minimumbezoldiging worden toegekend.

Voor aanslagjaar 2027 bedraagt deze minimumbezoldiging niet langer € 45.000, maar € 51.000. Dit bedrag is het gevolg van de indexering van het nieuwe wettelijke basisbedrag en zal voortaan jaarlijks kunnen wijzigen.

Wanneer het belastbaar resultaat van de vennootschap lager is dan € 51.000, volstaat een bezoldiging die minstens gelijk is aan dat belastbaar resultaat.

Wat als de minimumbezoldiging niet wordt gehaald?

Indien niet aan de bezoldigingsvoorwaarde wordt voldaan, verliest de vennootschap het recht op het verlaagd tarief van 20%. Hierdoor kan maximaal € 5.000 extra vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.

Voor startende vennootschappen blijft de uitzondering behouden: gedurende de eerste vier boekjaren geldt de minimumbezoldigingsvoorwaarde niet.

Impact op beleggingen in DBI-beveks

De nieuwe bezoldigingsgrens speelt niet alleen een rol voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting, maar ook voor vennootschappen die beleggen in DBI-beveks.

Hoewel dividenden uit DBI-beveks vrijgesteld kunnen blijven van vennootschapsbelasting, is de terugbetaling van de ingehouden roerende voorheffing voortaan gekoppeld aan dezelfde minimumbezoldigingsvoorwaarde van € 51.000.

Wordt deze voorwaarde niet gehaald, dan moet worden nagegaan welke fiscale behandeling het meest voordelig is:

  • ofwel worden de dividenden vrijgesteld maar gaat de terugvordering van de roerende voorheffing verloren;
  • ofwel worden de dividenden belast in de vennootschapsbelasting en kan de roerende voorheffing wel worden gerecupereerd.

Een afzonderlijke berekening is hierbij aangewezen.

 

Nieuwe grens voor voordelen alle aard

Naast de verhoging van de minimumbezoldiging wordt vanaf inkomstenjaar 2026 ook een nieuwe beperking ingevoerd voor forfaitair gewaardeerde voordelen alle aard. Het gaat onder meer om: een bedrijfswagen; gratis terbeschikkingstelling van een woning; een renteloze lening en een internet- of pc-voordeel.

Voordelen die belast worden op basis van hun werkelijke waarde, zoals sociale bijdragen of VAPZ-premies die door de vennootschap worden betaald, worden niet meegeteld.

Maximum 20% forfaitaire voordelen

Voortaan mag het totaal van de forfaitaire voordelen alle aard niet meer bedragen dan 20% van de totale belastbare bezoldiging van de betrokken categorie. Voor bedrijfsleiders wordt deze verhouding beoordeeld op basis van alle bedrijfsleidersbezoldigingen samen. Concreet mag de totale bedrijfsleidersvergoeding dus voor maximaal 20% bestaan uit forfaitaire voordelen alle aard.

Welke sancties gelden bij overschrijding?

Wanneer de forfaitaire voordelen meer dan 20% van de totale bedrijfsleidersbezoldiging bedragen, verliest de vennootschap eveneens het voordeel van het verlaagd vennootschapsbelastingtarief. Ook hier kan het fiscale nadeel oplopen tot € 5.000 per jaar.

Belangrijk is dat deze nieuwe 20%-voorwaarde ook geldt voor startende vennootschappen vanaf hun eerste boekjaar.

 

Moet u uw loon nu verhogen?

Niet noodzakelijk. Een verhoging van de bezoldiging is enkel zinvol wanneer het behoud van het verlaagd tarief en eventuele fiscale voordelen opweegt tegen de bijkomende personenbelasting en sociale bijdragen. Een verhoging van het loon kan daarentegen ook voordelen bieden, zoals een ruimere opbouw van een IPT of groepsverzekering.

Daarnaast zijn er situaties waarin een verhoging niet nodig is:

  • wanneer de vennootschap sowieso niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlaagd tarief;
  • wanneer de belastbare winst lager is dan € 51.000;
  • wanneer een alternatieve vergoedingsstructuur fiscaal voordeliger blijkt.

De invoering van de nieuwe minimumbezoldiging en de 20%-grens voor forfaitaire voordelen alle aard maken een jaarlijkse evaluatie van het bezoldigingspakket belangrijker dan ooit.

Elke situatie is anders. Factoren zoals de winst van de vennootschap, het huidige loon, de voordelen alle aard, pensioenopbouw en eventuele beleggingen in DBI-beveks spelen hierbij een belangrijke rol.

 

DISCLAIMER: Dit artikel werd gepubliceerd/voor het laatst gewijzigd op 28/08/2026 en werd opgesteld conform de op dat moment geldende wetgeving, rechtspraak, rechtsleer en interpretaties. Sinds voormelde datum kunnen er zich wijzigingen voordoen waardoor dit artikel verouderde informatie kan bevatten.

Blijf op de hoogte

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief met fiscale updates en ondernemersnieuws.

Website by Saleswinner